Als je bij ons komt, gaan we samen ontdekken hoe het met je gaat. Dat doen we met onderzoeken. De dokter kijkt welke onderzoeken jij nodig hebt. Soms weet je dat al van tevoren, en soms hoor je dat pas hier. Dat is helemaal oké!
De onderzoeken zijn geen toets, dus je hoeft niks goed of fout te doen. Je mag gewoon jezelf zijn. En vind je iets spannend of moeilijk? Dan mag je dat altijd zeggen. Wij helpen je en leggen alles rustig uit.
Soms moeten we een beetje bloed afnemen of je plas onderzoeken. Zo kan de dokter goed zien hoe het met je gaat. In je bloed kan de dokter bijvoorbeeld zien of je medicijnen goed werken. Dat is heel handig!
Er wordt bloed bij je afgenomen door iemand van het laboratorium. Je papa, mama of iemand anders die voor je zorgt, mag met je mee. Je bent dus niet alleen.
Het prikken kan even een beetje spannend of vervelend zijn, maar het duurt meestal maar heel kort. En we helpen je er natuurlijk doorheen.
Soms moet je nuchter zijn voor het bloedprikken. Dat betekent dat je vanaf 23.00 uur ’s avonds niet meer mag eten of drinken. Water drinken mag nog wel. Gebruik je medicijnen? Dan neem je die pas in ná het bloedprikken.
Dat je bloed in 1 minuut je hele lichaam rond kan gaan?
Dat je lichaam steeds nieuw bloed maakt?
Dat bloed niet altijd rood is? Kreeften en spinnen hebben blauw bloed en een bloedzuiger groen.
Wist je dat je enorm veel bloedvaten in je lichaam hebt? Alles achter elkaar zijn ze wel 100.000 kilometer lang. Dat is ongeveer 2 rondjes om de aarde.
Soms ga je naar de kinderfysiotherapeut. Die kijkt hoe jij beweegt. Bijvoorbeeld hoe je loopt, rent, springt, zit of je evenwicht bewaart.
Iedereen beweegt op zijn eigen manier. Sommige dingen gaan al heel goed. Andere dingen vind je misschien nog lastig. Samen ontdekken we wat jij al goed kunt en waarbij je nog wat hulp kunt gebruiken.
De kinderfysiotherapeut laat je allerlei opdrachtjes en spelletjes doen. Zo kijken we hoe jij beweegt. Soms krijg je ook oefeningen of handige tips. Zo wordt bewegen misschien makkelijker of leuker voor jou.
Soms ga je bij ons ook even praten met een psycholoog. Dat is iemand met wie je rustig kunt kletsen.
Je kunt vertellen over van alles: over school, thuis, je hobby’s, vriendjes en vriendinnetjes. Of over waar je trots op bent. Maar ook over dingen die je moeilijk, spannend of misschien een beetje vervelend vindt. Alles mag je zeggen. De psycholoog helpt je om beter te begrijpen wat er in je hoofd gebeurt. Bijvoorbeeld als je veel piekert, boos bent of je verdrietig voelt.
Soms ontmoet je ook een maatschappelijk werker. De maatschappelijk werker praat vaak met jou én met je papa, mama of iemand anders die voor je zorgt. Soms praten ook je broertjes of zusjes mee. Samen praten jullie over hoe het thuis, op school of ergens anders gaat. Misschien ben je blij, boos, bang of verdrietig. Of vind je iets moeilijk op school, of met vriendjes en vriendinnetjes. Is er iets lastig of maak je je ergens zorgen over? Dan luistert de maatschappelijk werker goed naar jullie en denkt mee. Samen kijken jullie hoe je zoveel mogelijk kunt blijven doen wat jij leuk en belangrijk vindt. De maatschappelijk werker helpt niet alleen jou, maar ook je papa, mama of iemand anders die voor je zorgt. Soms helpt hij of zij ook met het regelen van extra hulp of praktische dingen.